header background image
 


 

“Ik zou jouw werk écht niet graag doen.”

– dat krijg ik geregeld te horen als ik vertel waaruit mijn job als vrijzinnig humanistisch consulent bestaat. Meestal heeft dat iets te maken met de onderwerpen die meer en meer dagelijkse kost worden in ons huisvandeMens.

“Vandaag sprak ik met een mama wiens zoon uit het leven stapte.” Of “Ik heb een voordracht over euthanasie gegeven.” Of “Ik ben langsgegaan bij een man die net vandaag een half jaar weduwnaar is.” Of “Ik heb een begrafenis geschreven.”

Ik snap wel waarom mensen zo reageren. Als ik mijn agenda kort samenvat, dan lijkt de focus inderdaad te liggen op kommer en kwel. Op verlies, verdriet, de dood, eenzaamheid, rouw. Zware onderwerpen, en toch ben ik daar graag mee bezig. ‘Graag’… Misschien een ongepast woord in deze context, en toch is het zo: ik doe het graag. Onlangs ging ik met mijn vriendin Ilse De Psychologe op restaurant, en we vroegen ons allebei af wat ons eigenlijk aantrok in ons eigen beroep. Er zijn veel verschillen tussen onze jobs, maar ook heel wat gelijkenissen. We gaan om met gehavende mensen. We raken pijnlijke thema’s aan. We horen trieste verhalen. We worden geconfronteerd met machteloosheid. Waarom spreekt ons dat eigenlijk aan? Een antwoord op die vraag kwam maar niet. (Wereldproblemen daarentegen hadden we in een vingerknip opgelost.) Ik vind het echt moeilijk te benoemen wat me zo aanspreekt in mijn werk. Ik ben graag bezig met mensen, dat wel. Mensen interesseren mij, echt waar. Het gebeurt vaak dat ik op de trein kijk naar al die honderden huizen en denk: “Ongelooflijk dat er achter elke deur een persoon, of een gezin woont, met een volledig eigen geschiedenis, eigen gewoontes, eigen verhalen, eigen familie.” Deur na deur na deur, overal hetzelfde, en tegelijk nooit gelijk. Het boeit me om op reis in een ander land in een andere taal in andere omstandigheden mensen bezig te zien die eigenlijk net als jij en ik zijn. Overal hetzelfde, en toch nooit gelijk. Ik geraak nooit uitgekeken op mensen, dat is zeker een voordeel in mijn job. “Ik jeun Oscar Coulembier elk van zijn 107 jaren die hij heeft gehad. Maar hoe komt het dat mijn vrouw nog niet eens de helft heeft gekregen?” “Het enige dat ik wil is dat ze er nog is. Hoe moet ik verder zonder mijn kind? Ik doe hier gewoon mijn tijd uit op deze wereld, niet meer en niet minder.” “Maar wat zeg je daar dan op?” Tja, wat? Niet veel. Dat ik niets kan zeggen om die pijn te verzachten, maar dat ik wel wil luisteren, en erover praten.
Weet je, er zijn zoveel dingen die ik niet kan. Ik kan niet schilderen zonder druppels. Ik kan niet dansen. Ik kan geen hout stapelen. Ik ben volledig hulpeloos als ik een computerprobleem heb, en ik heb lood in mijn schoenen als ik naar één of andere helpdesk moet bellen. Ik heb meestal lood in mijn schoenen als ik moet bellen naar om het even wie, eigenlijk. Er zijn zoveel jobs die ik niet zou zien zitten en die ik niet zou kunnen. Leerkracht. Vertegenwoordiger. Timmerman. Boekhouder. Opvoeder. Alles waarvoor je handig en sterk moet zijn. Maar ik ben niet bang om moeilijke vragen te krijgen, en ook niet om ze zelf te stellen. Ik kan, met een ei in mijn broek, maar toch zonder angst, naar een terminale vrouw gaan en vragen hoe zij haar begrafenis ziet. Ik kan luisteren naar machteloosheid, al heb ik dat zeker moeten leren. Vroeger probeerde ik wanhopig om toch maar ergens een lichtpuntje te vinden, en te benoemen. Nu nog hoor af en toe – het is soms sterker dan mezelf. Maar als iemand vertelt over het verlies van zijn echtgenote, en over hoe slecht hij zich voelt, wil hij niet dat je zegt “Maar het is bijna zomer, het zal dan wel verbeteren.” Hij wil gewoon dat je hoort wat hij vertelt, dat je naar hem luistert, met al je aandacht, met een oprechte interesse. Die mens weet ook wel dat jij niets aan de situatie kan veranderen, maar gewoon gehoord worden: er zijn zoveel mensen die dat moeten missen. Denk nu trouwens niet dat het werk als vrijzinnig humanistisch consulent alleen maar bestaat uit droefenis – zeker niet. Er zijn zoveel andere dingen die we doen, en daarnaast: ook tijdens al die moeilijke gesprekken vol pijn en verdriet komen er mooie dingen naar boven. Een echt verhaal is nooit zwart wit. Het doet pijn om te praten over de overleden partner, maar tegelijk doet het deugd om ook de warme herinneringen op te halen. Tijdens plechtigheden proberen we die verhalen te vertellen. We beschrijven een overledene, en we proberen dat zo eerlijk mogelijk te doen. Natuurlijk kan het nooit de bedoeling zijn om tijdens een afscheidsdienst af te rekenen met iemand, maar we moeten ook geen heilige maken van wie het niet was. Ik probeer vooral een zo volledig beeld te schetsen, al besef ik maar al te goed dat dit eigenlijk onmogelijk is. Een leven samenvatten in tweeduizend woorden: kan gewoon niet. Tijdens het schrijven van een plechtigheid maak je onvermijdelijk een keuze, kies je een spoor, en hoop je dat het het juiste was. Dat de nabestaanden zeggen: “Juist, zo was hij echt.” En als ik achteraf soms te horen krijgt dat het klopte, of dat iets deugd heeft gedaan, wel, dan raakt me dat. Dan ben ik echt even oprecht gelukkig, en trots op mezelf. Weet je, misschien is dat wel de reden waarom ik zo hou van mijn werk. Omdat ik af en toe het gevoel heb dat ik iets zinvol heb gedaan, iets met betekenis, iets waaraan iemand iets heeft gehad. Is dat nu tijdens een gesprek, een voordracht, of een plechtigheid: het gevoel dat ik, in alle bescheidenheid trouwens, een klein verschilletje heb gemaakt. Ilse, Ilse, Ilse, ik denk dat ik het weet!

Auteur: Lieve Goemaere, vrijzinnig humanistisch
consulent bij het huisvandeMens Ieper

terug naar het overzicht