header background image
 


 
Mijn ogen zijn niet meer wat ze geweest zijn. Man, wat sukkel ik met mijn ogen de laatste tijd! Dat ik hele dagen op mijn werk achter een computerscherm doorbreng, en dat ik razendsnel verknocht ben geraakt aan de smartphone die me in de schoot is geworpen, doet daar natuurlijk geen deugd aan. Misschien ook niet het feit dat ik de uitdaging ben aangegaan om dit jaar 52 boeken te lezen, en dus na een dag computeren geregeld ook urenlang de ene na de andere bladzijde voor mijn ogen laat passeren. Maar eigenlijk wist ik het al hoor, dat ik ooit moeite ging hebben met mijn zicht: de oogarts had het me voorspeld toen ik 14 jaar geleden mijn ogen liet laseren. “Met tijd ga je moeten brillen”, zei ze, “maar alles dat je gehad hebt, heb je gehad.” Dat vond en dat vind ik ook, maar met tijd had ik eigenlijk liever wat verder in de toekomst gesitueerd, in plaats van nu. Dus als ik wat slimmer was, dan nam ik nu de telefoon ter hand en belde de oogarts. Dan heb ik over drie maanden een afspraak, en tegen dan heb ik me hopelijk bij mijn aftakeling neergelegd, klaar voor de oplossing. Maar dat doe ik natuurlijk niet. Liever val ik mijn collega’s lastig, zeur ik tegen mijn moeder, hoor ik mezelf in complete verontwaardiging klagen tegen mijn man: “Dan moet ik dus wel tot mijn 90ste brillen hé!” Hola! Stop! Mijn 90ste? Wie zegt dat ik dat haal? De vanzelfsprekendheid waarmee ik mezelf een lang en natuurlijk ook gezond leven voorspel, is de laatste maanden al meerdere keren onderuit gehaald. Vrouw van 32, overleden door kanker. Man van 27, overleden door auto-immuunziekte. Vrouw van 39, overleden door kanker. En wat te denken van Ono dan, het jongetje dat stierf toen hij nog in de buik van zijn mama zat. (hier kan een afbeelding van het boek eventueel, zoeken op: Hannelore Waeles: Ono, een bijzonder broertje) Wat heb ik eigenlijk te klagen over mijn ogen? Wat maakt het uit dat er misschien wel een bril op mijn neus moet, als voor de rest alles oké is? Er zijn genoeg mensen die zouden jubelen als dát hun grootste probleem was. Het schaamrood stijgt me naar mijn wangen. Als vrijzinnig humanistisch consulent is de dood dagelijkse kost, waardoor ik geregeld met mijn neus op bikkelharde feiten word gedrukt. Daar klaag ik niet over: dat is nu eenmaal de job die ik heb gekozen, en het is een job die me goed ligt. Tegelijk heeft die confrontatie bij momenten een grote impact op me. Dan spring ik in het zuiden van Frankrijk dolenthousiast in het zwembad, en wanneer ik weer boven kom, denk ik “Dat moet zij nooit meer doen. Hoe lang zou ze nu al dood zijn?” De gedachte dat een leven kan eindigen op schandalig jonge leeftijd, ondanks alles wat de medische wereld in de strijd gooit, is echt akelig, en toch is het realiteit. Benauwelijk hoe kort en kostbaar onze tijd hier op aarde maar is, en hoe weinig er nodig is om alles ineen te doen storten. En dan blijf ik nog in mijn eigen kleine kringetje draaien. Herinner je je het misselijkmakende beeld van het dode meisje, drijvend in de Middellandse zee ? Het kleutertje met het roze rokje en de groene legging, onschuldig en ongevraagd ter wereld gekomen, op schandalige wijze gestorven… Daar zijn zelfs geen woorden voor. Zulke gedachten zetten meteen mijn eigen geklaag in proportie. Oud worden is eigenlijk niet vanzelfsprekend, maar oud zijn is dat ook niet altijd. Ik denk terug aan het gesprek dat ik onlangs had met een mevrouw, die in het huisvandeMens langskwam om de afscheidsplechtigheid van haar vader te regelen. Ze zei me: “De dood is zogezegd voor iedereen gelijk, maar ik geloof dat niet meer. Dat de dood voor iedereen komt: ja, dat is waar. Maar hij is niet gelijk: de ene mens sterft veel te vroeg, en mijn schoonvader is 8 jaar te laat gestorven. Alle jaren na zijn 76ste hadden er niet meer moeten zijn. We zijn opgelucht in zijn plaats dat het voorbij is.”
Dat is dan weer die andere kant van het verhaal: jaren die men krijgt, zonder dat men ze eigenlijk wil, zonder dat men er iets aan heeft, zonder een minimum aan levenskwaliteit. Bestond er maar een systeem dat wie teveel had, wat kon schenken aan wie tekort kwam! De dood komt hoe dan ook, maar geen mens die weet wanneer of hoe. Af en toe jaagt die gedachte me enorm veel schrik aan, en dan moet ik mezelf dwingen om aan iets anders te denken. Toch geloof ik ook dat het leven voor iemand gewoon afgerond kan zijn. Dat het goed en voldoende was, en dat je klaar bent voor de volgende stap: sterven. Niet op een negatieve of dramatische manier, maar dat je gewoon rationeel denkt: “Zo, dit was het dan, laat mij maar gaan.” Neem nu mijn grootmoeder. Ze overleed op 29 januari van dit jaar. Ze werd 89. Het was welletjes voor haar. Dus ze besliste zelf dat haar leven mocht stoppen. Het moest niet meer. Eigenlijk zag ik mijn grootmoeder niet zo veel. Je kent dat wel: een gezin, drie kinderen, een fulltime job, andere prioriteiten. En ik moet niet om de pot draaien: onze relatie was niet fantastisch. Niet slecht, dat niet, maar toch ook niet zo'n oma-en-kleinkind-uit-de-boekjes-relatie. De week voor haar euthanasie, ging ik bij haar langs. Met een beetje zenuwen. Hoe zou ze zijn? Hoe zou ze eruit zien? Wat zou ze zeggen? Wat ík zou zeggen, daar zat ik niet zo mee in. Door mijn werk heb ik niet bepaald schroom om over de dood te spreken. Dus we sloegen de koetjes en kalfjes over. "Allé zeg, oma, dat er volgende week nog altijd nieuws zal zijn op tv 's avonds, en dat jij daar nooit meer iets van zal weten." Ze had daar ook al aan gedacht. Vond het ook raar, maar wel goed zo. Ze was heel nuchter. Dat er waarschijnlijk een groot verschil is tussen oud willen worden en effectief oud zijn? Dat ik haar goed begreep, zei ze. En dat ik een mooi gezin heb. Dat het een schone foto was bij het verjaardagskaartje dat we haar hadden gestuurd. "Kijk, daar staat hij. Je kinderen zijn al zo groot." Ze straalde toen ik zei dat ik zo'n zelfgekozen einde wel bij haar vond passen. Omdat ze ze zo'n type mens is. Iemand die zelf alles in handen neemt. Iemand die niet afhankelijk wil zijn. Iemand die zich niet laat regisseren door een ander. "Wat denk je dat er nu volgt?" "Hoe bedoel je?" "Wel, Fabiola verwachtte dat ze bij Boudewijn ging zijn." "Ik? Niets. Gewoon gedaan. Ik ga alleszins niet terugkeren om het te vertellen." En we konden er mee lachen. Die nuchterheid, die heb ik wel een beetje van haar, denk ik. Dat, en een soms wat bizar en ongepast gevoel voor humor. "'t Zal dan de laatste keer zijn dat ik je zie hé, oma." "Ja. Merci dat je gekomen bent. De groetjes thuis, en doe dat nog goed verder." En zo werd een tijdperk afgesloten, schoven de generaties een plekje op, en draait de wereld steeds verder. En zo gaf mijn grootmoeder mij wat meer vertrouwen: sterven gebeurt vaak op een tragische en trieste manier, maar kan ook mooi en goed zijn.

Auteur: Lieve Goemaere, vrijzinnig humanistisch
consulent bij het huisvandeMens Ieper

terug naar het overzicht