header background image
 


 
Het leven zoals het is in het revalidatiecentrum.
Tijd is meestal cruciaal in het doorsnee leven, hier kan je je erin verliezen zonder strikte uur schema's of tijdstippen.
Maar om 17u30 is het boterhammen tijd, dus bijna zoveel als "bedde binnen". Groot was mijn verbazing, heel groot, ook toen ik vernam dat er geen decafeïne koffie was. Bevooroordeeld als ik ook wel af en toe ben, dacht ik, OMG ook thee bevat cafeïne, na drie dagen melk (geen chocomelk, een mens is soms al heel content met iets kleins), schakel ik over op linde en rozenbottel thee. Maar dit went allemaal wel.
Zeker als je rondom je kijkt. Bewegen kan ik al een beetje en tuur rond. Gisteren kleedde een man zich uit in de hall van de vrouwentoiletten en zou net ook zijn pamper uittrekken als ik samen met een andere dame passeer. Hij is groot en heel mager, zal een bijzonder mooie, statige man geweest zijn, dat herken je zo, ooit, langer geleden. Ik vraag of de dame hulp kan zoeken richting restaurant, terwijl ik naar de eerste verdieping "rol" om een verpleger te halen. Als we maar iemand vinden.  
Eergisteren raakte een andere man in de war omdat zijn vrouw schuin voor hem aan een andere tafel zat. Alvast, dat dacht hij. Hij drong erop aan dat ik aan die dame haar naam zou vragen. Dààr zit een koppel, de mijnheer van de vrouw zegt :"we zijn 65 jaar getrouwd". Ze wil haar naam niet zeggen. Ik verneem later van het echtpaar dat ze pas vrijdag in het revalidatiecentrum zijn aangekomen.
Wat nu? De man wordt heel nerveus, zijn sandwichen, gesmeerd voor het ontbijt, blijven zo goed als onaangeroerd.
 
Het is zondag en zoals het moet zijn op deze laatste dag van de week, is het net iets feestelijker: er worden sandwichen en pistolets klaargezet of gesmeerd en gebracht voor de bewoners. Mijnheer is totaal verbouwereerd.
Hij zegt dat hij de politie moet bellen en maakt aanstalten om recht te staan, duwt zich met zijn armen omhoog, maar kan niet op zijn benen steunen (hij zit in een speciaal aangepaste rolstoel mobiel). In beide gevallen kan alleen mijn rustige stem enig soelaas brengen, maar echte hulp komt er pas als ik loop zoeken (allee, enfin, me voortdraaiend in mijn rolstoel) voor verpleging. Ja, ook hier, is er onderbezetting van personeel, maar chapeau voor die mensen hun engelengeduld om toch te roeien met de riemen die ze hebben. De man die zijn vrouw zag zitten, komt pas echt tot rust als de verpleegster komt en kan zeggen dat zijn echtgenote gisteren kwam en nu nog thuis is. Ze stelt me ook mijn gemak. Ik zie dat alles weer onder controle is, de man wordt naar zijn kamer gebracht. Ik "huppel" nog even achter hen aan om erop te wijzen dat hij niets meer kon eten door het incident. Eigenaardig is dat hij heel helder spreekt als hij het over zijn vermeende vrouw heeft. Erna articuleert hij minder en brabbelt een taal die ik nauwelijks begrijp. Toch praatten we verder tot er hulp kwam, maar hij verstaat mij niet goed want hij hoort bijzonder slecht.
Nu kan ik ontbijten omdat ik zie dat die mensen verder geholpen worden. Alzheimer of dementie, dat moet lastig zijn. De verwarring en de paniek in die mijnheer zijn ogen staan op mijn netvlies gegrift: ik zie hem een halfuur denken en herken machteloosheid: "dàt is mijn vrouw en ze kijkt niet eens. Ik moet de politie bellen".


Auteur: Sybille Van weehaeghe
Bron: tijdschrift Zoeklicht juli-augustus 2017

terug naar het overzicht