header background image
 


 
Het gaat niet over je eenzaam voelen als je in een menigte bent.  Dat is een gevoel dat iedereen herkent of dat iedereen wel eens kan overvallen. Het gaat ook niet over hoe de meest populaire je doodbliksemen of je laten voelen dat je minder dan niks bent, want dat is net de reden waarom ze zo populair geworden zijn.  Waarover gaat eenzaamheid dan wel?  
Weet jij het?  Zou jij het mij zeggen?
Weet ik het?  Mij kan het lamslaan,  soms.  Of,  het kan mij overvallen als ik aan Karel denk, net zeventien geworden. Hij was één van de zeven in een kleine klas.  Zijn vader stierf enkele jaren ervoor, op veel te jonge leeftijd.  Karel praatte er soms over als een bepaald onderwerp ter sprake kwam, soms zelfs als een item dat er helemaal niets toe deed, ook ter sprake kwam.
Ze zaten in een U-vorm, dat jong enthousiast geweld, samen.  We praatten veel en dikwijls honderduit, over van alles.  Ik keek naar hen, soms door hen, soms in hen.  Maar net niet helemaal. En misschien af en toe,  niet goed genoeg.
Karel maakte zijn jaarwerk en nu ontschiet het mij of hij het effectief ook presenteerde voor de groep.  Ik weet het niet meer,  omdat ik het verhaal van zijn vader zo goed kende vanuit zijn spontane tussenkomsten. ik denk  niet dat hij zijn presentatie bracht, ik denk dat de tijd niet zo ver kon vorderen.  Altijd neem ik thuis die bundels van die de gasten door, in alle stilte, om te voelen en te zien hoe ze schrijven en soms ook hoe ze  “ploeteren” door wat hen bezighoud.  
En dan is het een doodgewone donderdag en ze zijn met zes.  Karel is er niet.  Karel komt niet meer.  De laatste bladzijde van zijn jaarwerk was de foto van zijn vader op zijn sterfbed.  Ik vergeet nooit dat moment dat ik thuis net niet van mijn stoel val van het verschot.  Zelden bracht een leerling me zo uit mijn evenwicht op een moment dat ik heel alleen doorneem wat ze voor zichzelf, voor de groep en voor mij schrijven.
Karel nam een beslissing.  Voor altijd.
En dan is er Joris.  In een klas van 24.  Ook in U-vorm.  Hij zit niet in de U maar op de laatste bank voor de U, links.  De laatste twee jaar van zijn humaniora.  Soms aandachtig, soms verdwaasd afwezig. Soms misschien ook wat stoned na een weekend.  Maar als hij erbij is, is hij telkens weer één van de intelligentste van de bende.  Hij studeert filosofie als hij 19 is en zoekt de zin.  Nochtans, in terugkerende gesprekken, wordt jaren ervoor aangehaald  “als je de zin zoekt zal het misschien zijn zoals de vis die zwemt, die het water zoekt”.
Na één jaar filosofie gaat Joris godsdienstwetenschappen studeren, want er moet toch wel iets zijn, iets bestaan.   Dit iets vond hij niet bij ons, of in deze wereld.   Of hij het dààr gevonden heeft?  Hij blijft voor altijd 21 jaar.  Nog altijd, jaren later,  zie ik die klasconstructie met die bank, vlak voor de U, links achteraan.  De plaats waar Joris zat.
Nog altijd zie ik de U met die 7 waar de zes van overblijven.  Ik hoor de secretaresse die binnenkomt en de aanwezigheden noteert nog steeds  vragen: “Is iedereen aanwezig?”.  Wij zeggen ja en met zijn allen denken wij, ja maar …  
Twee jaar later zie ik de niet uitgeslapen, rechtstreekse neef van Joris.  Hij is vijftien geworden.  Hij wil meer weten over wat er gebeurde met Joris, toen, die jaren ervoor. Als ik hem apart spreek en vraag hoe het komt dat hij er zo moe uitziet, komt met horten en stoten, traag en in vertwijfeling, zijn zoektocht ’s nachts aan het licht.  Hij stelt zich vragen, veel vragen.  Het is ook met hem niet zo goed gegaan.  Die neef is op te jonge leeftijd in slapeloze nachten verzeild geraakt. Een intelligente kerel, dàt staat buiten kijf.   En hier sta je bij, en dit gebeurt onder je ogen, onder die van de ouders, onder die van de vrienden.  En je kijkt ernaar.  En soms is het zoals in “diene tsjoep”:  als je gedachten in een spiraal naar beneden gezogen worden en cirkelen en blijven draaien naar de diepte waarbij je niet meer ziet dat je er langs de zijkant kan uitspringen, is het mogelijk dat je verder in de beweging afdaalt en zakt  tot je daar die bodem raakt.  Op dat punt is het draagvlak te weinig breed om de sprong te nemen.  Misschien probeer je wel, maar je stoot direct tegen de wand want er is geen ruimte genoeg om eruit te springen.  Na veel pogingen, geef je op? Misschien?  Wellicht? Soms?
Dit alles flitst door mijn hoofd bij episode 7 van 13 Reasons Why.
Moet er nog een kopje koffie zijn?  Of een beetje waarschuwing of nog wat preventie?  Ik weet het niet.  Soms gebeuren dingen en soms niet.  Soms ben je machteloos, soms niet.
Waarschuwen voor copycat gedrag?  Onderschat mensen niet.  En zeker jongeren niet.



Auteur: Sybille Van weehaeghe
Bron: tijdschrift Zoeklicht juli-augustus 2017

terug naar het overzicht