header background image
 


Patje De Buck - in de kijker

 

 

Ik ben in Brugge geboren op 11 augustus ‘47 (van de vorige eeuw dus!;-) in een rood nest in "'t lokol van de socialisten" het Werkerswelzijn, in de Steenstraat.
Mijn schooljaren begonnen in de kleuterschool ’t Fröbeltje, vervolgens het Koninklijk Lyceum en dan de Normaalschool waar ik studeerde voor onderwijzeres. Ik wou eigenlijk verpleegster worden maar ik mocht niet van mijn pa.

Opa Lazarie De Buck was leider van de Socialistische Jeugdturngroep en mijn oma voorzitster van de Socialistische Vooruitziende Vrouwen en medeoprichtster van het Kinderwelzijn. Samen met mijn ouders runden ze het Volkshuis.
Papa was al even sterk en sportief als zijn vader. Hij was turner, roeier, gewichtheffer, zwemmer en waterpolospeler. Mama heeft nooit leren zwemmen!
Hij ging mee, als reserve waterpolospeler, naar de Olympische Spelen in Berlijn in 1936, toen Hitler er was en hij de zwarte atleet Jesse Owens de medaille weigerde te overhandigen.
Beroepsmatig was hij verzekeringsagent bij de toen Prévoyance Sociale, nu P&V genoemd.

We zijn steeds ‘ongelovig’ geweest en zo ben ik ook opgevoed. Wij stelden menselijke waarden voorop, we waren sterk antiklerikaal omwille van de vele misbruiken en machtsdrang van het in die tijd overheersende katholieke bewind in België en in Brugge.
Het woord vrijzinnigheid bestond bij ons nog niet als gebruiksterm voor ons niet-gelovig zijn.
We hadden ook geen behoefte om ons bij een georganiseerde beweging aan te sluiten. Vrijzinnig zijn was voor ons een evidentie en ik ben erg blij zonder dogma's noch schrik- en schuldgevoelens te zijn opgevoed. Geloof heeft tot nu al voor veel verdriet, trauma's, schrik en oorlogen gezorgd.  

Zelfs in het Lyceum bestond in mijn lagere schooltijd geen zedenleer. Je vloog gewoon uit de klas in de gang of je moest naar een andere klas gaan, waar de juf zei: "Zet je maar vooraan op de trede, dan ziet iedereen dat jij geen godsdienst volgt!"
Toen ik 12 jaar was deed ik geen communie en vroegen de kinderen me: "Door welke zwijnen ben jij opgevoed?" en "Waarom leef jij dan?". Twee essentiële vragen die me tot mijn nu bijna 70ste jaar zijn bijgebleven.

Na mijn studies heb ik 40 jaar fulltime gewerkt waarvan 3 jaar in het Brugse stadhuis, bij de dienst financiën en eigendommen. Voor de rest werkte ik als onderwijzeres, eerst in de Pannebekestraat, toen nog wijkschool van het Lyceum en vervolgens in Blankenberge, Kortrijk, Knokke, Izegem en uiteindelijk op de Vrijdagmarkt, ook een wijkschool van het Lyceum, later Basisschool Brugge Centrum genoemd.

Met papa ging ik als kind veel mee op ronde om polisgeld op te halen, bij allerhande gezinnen. Daardoor heb ik veel mensenkennis opgedaan. Het sociale leven heeft me steeds aangetrokken.
Net als papa waren mijn zus Lonie en ik aangesloten bij de Brugse Zwemkring (de Bazako's). Vanaf m'n 8ste (mijn zuster Lonie was er toen 12) moesten wij elke dag om 6u opstaan, meerijden naar de Lac van Loppem, trainen met enkele mannen, lopen, pompen, slijk smijten, elkaar dragen door de bossen tot terug aan de Lac. In de winter moesten we dan een vierkante meter ijs uithakken, in het water springen, bevroren eruit komen, kleren aandoen bij de auto, een boterham eten en dan naar school.
We zijn nooit verkouden geweest! Ik heb die sport, wat vanaf 1960 De Brugse Ijsberen noemde, 30 jaar uitgeoefend, tot ik, door borstoperaties de trainingen niet meer kon meedoen. Ijsberen is een zéér gezonde sport!

In het verenigingsleven ben ik secretaresse geweest bij de vriendenkring van het Lyceum, het HVV Brugge en de Vrienden van het Gemeenschapsonderwijs. Ik was ook 10 jaar bestuurslid bij Opvang vzw en zet me nu in voor het Vrijzinnig Centrum De Sleutelbrug.

Ik heb 10 jaar toneel gespeeld bij het amateurgezelschap De Valk, wat zeer fijn was. Ooit speelde ik er een truttetante in "Zwijg kleine" en járen later kwam ik een mevrouw tegen die naar haar man riep "Roger! De trutte is hier!" ;-) Een heel fijne tijd!

Mijn passie is echter het lesgeven geweest. Ik heb 15 jaar in het 5e en 6e leerjaar en 22 jaar in het 1e leerjaar les gegeven. Ik heb zoveel vriendschap gekend, zoveel idealisme en onvoorwaardelijke inzet meegemaakt. Een hechte band gevoeld met dié kinderen, die het in hun leven het zwaarst hadden te verduren door mishandeling, handicap, armoede of vluchten uit de oorlog, destijds uit het toenmalige Joegoslavië.
Nog steeds heb ik veel vriendschap van zovele ouders en hou ik contact met de kinderen van toen via Facebook. Zij zijn nu zelf volwassenen geworden.

Er is voor onze kinderen inderdaad veel veranderd maar wat toch steeds blijvend is, is de drang naar vervolmaking, verbetering, menselijke omgang, behoefte aan veiligheid en liefde.
Jonge mensen moeten blijvend aangespoord worden om na te denken, kritisch te zijn en te debatteren met elkaar over de fundamentele maatschappelijke behoeften. Ze moeten zich los proberen te maken van opgelegde dogma's en mogen niet verglijden tot apathische, a-politiekgezinde burgers.  
We moeten de jeugd blijven koesteren. Ze zijn ons hoogste goed. Het onvoorwaardelijke bij kinderen en jongeren is onbetaalbaar en uniek. Deze inzet mag niet verbrand worden vooraleer ze volwassen zijn. In hen blijven geloven, hen steunen en stimuleren kost geen geld.
Wij en de maatschappij in het algemeen, krijgen er onschatbare waarden voor terug.