header background image
 


Geachte lezer,


Deze ietwat plechtige aanhef is voor een keer niet een automatisme, maar een bewuste woordkeuze. Er is immers geen betere wijze om een pleidooi voor meer hoffelijkheid mee te beginnen. Ook al ken ik U misschien niet, toch acht ik U. Wat ook uw meningen zijn, hoe U er ook uit ziet, hoe U ook ruikt: door deze aanhef wil ik uitdrukken dat ik respect heb voor wie U bent. En dat brengt ons meteen bij de kern van waar het bij hoffelijkheid om gaat: om respect voor de ander. Maar daarover straks meer.

Het is voorwaar een erg ouderwets woord. In tegenstelling tot ‘hip’ of ‘swag’ klinkt ‘hoffelijk’ absoluut niet modieus en eigentijds. Ook de etymologie van het woord wijst op een oude herkomst: hoffelijk is “zoals aan het Hof”, m.a.w. nobel gedrag. Trouwens, als je hoffelijkheid in het Frans of Engels vertaalt, zie je dezelfde herkomst en betekenis: ook courtoisie en courtesy verwijzen naar het Hof (resp. la Cour en the Court). En wanneer we kijken naar het meest directe synoniem van hoffelijk(heid) komen we uit op een al even ouderwets woord: wellevend(heid). Omschrijven wat hoffelijkheid of wellevendheid precies inhoudt, is niet gemakkelijk. Het is meer dan beleefdheid, maar beleefd zijn behoort wel tot het zich hoffelijk gedragen. Evenzeer behoren ook vriendelijkheid, minzaamheid, attent zijn en respectvol zijn tot het domein van het hoffelijk gedrag. Laat ons het erbij houden dat hoffelijkheid een combinatie van al deze positieve houdingen behelst.

Nu kunnen we ons de vraag stellen waarom we het woord als ouderwets ervaren. Misschien is dat omdat hoffelijk gedrag steeds meer in de verdrukking lijkt te komen. Het lijkt er op dat er in onze dagelijkse omgangsvormen toch een algemene verruwing optreedt. Denk maar aan de wijze waarop op sociale media commentaar gegeven wordt, vaak zonder enige remming, zonder enige consideratie voor de tegenstander, en helaas ook dikwijls zonder enige kennis van zaken. Het is in elk geval opvallend hoe het begrip van langsom minder wordt gebruikt: in ons taalgebied bijna uitsluitend nog in combinatie met verkeer. Want zijn we niet allemaal vertrouwd met campagnes voor hoffelijkheid in het verkeer, het bekende “wees een heer in het verkeer”. De onderliggende gedachte bij dergelijke campagnes is steeds dat hoffelijk gedrag in het verkeer ook minder gevaarlijk gedrag betekent en dus de kans op ongevallen verkleint.

Maar het verkeer is maar een van de vele omstandigheden waarin we met elkaar omgaan. En ook in die andere vormen van omgang kan hoffelijkheid alleen maar een positieve invloed hebben. Mocht hoffelijkheid weer de norm worden in gesprekken en debatten in plaats van het ‘in your face’ rechtuit beledigen, dan zouden we weer meer van elkaar leren in plaats van elkaar belachelijk te maken. Wanneer we de gsm uitzetten op restaurant of op de trein, dan leveren we een bijdrage tot het welbevinden van de anderen én van onszelf. En, als het echt niet anders kan, kunnen we de moeite doen om die gsm te beantwoorden in ruimtes waar niemand anders gestoord kan worden. Het zal nog steeds het algemeen welbehagen verhogen van de andere die niet gestoord wordt in zijn ogenblik van studie en/of genot.

Hoffelijkheid is dan ook een uiting van altruïsme, terwijl onhoffelijk gedrag vaak egoïstisch is: het niet opgeven van een zitplaats in een overvolle tram is kiezen voor het eigen comfort. Door zonder oortjes naar een film te kijken in de trein of op de luchthaven, of door met luide stem de gsm op te nemen op restaurant of godbetert tijdens een concert (zelf meegemaakt!), geef je duidelijk aan dat de ander je niets kan schelen. Schreeuwen en de tegenstander kleineren in een gesprek of debat is niet alleen onhoffelijk, het is een zwaktebod. Iemand beledigen - zelfs al is hij niet in de buurt- heeft overigens dikwijls als enige doel de eigen superioriteit te onderstrepen. Met hoffelijkheid druk je respect uit voor de ander, toon je dat je hem als mens acht en in acht neemt.

Bovendien is zich hoffelijk gedragen bijna altijd een kleine moeite. Bijna altijd, maar lang niet altijd. Een zitplaats opgeven in het openbaar vervoer ten voordele van iemand die slechter te been lijkt, vergt niet alleen zelfopoffering, maar ook enige moed. Ook het wensen van goeiedag aan iemand die dat zelf niet doet, is een dappere daad. Wie zich op een beleefde wijze in het openbaar uitspreekt ter verdediging van iemand die verbaal agressief bejegend wordt, is al helemaal moedig. En wanneer je zelf beledigd wordt, is het al helemaal niet makkelijk om beleefd, laat staan hoffelijk te blijven. Bovendien is het absoluut niet zeker dat jouw hoffelijkheid door de persoon die het voorwerp ervan uitmaakt, zal geapprecieerd worden. Hoffelijkheid kan ontwapenend werken, maar wordt misschien nog vaker als provocerend ervaren door degene die boertigheid tentoonspreidt. Hij ziet jouw hoffelijkheid al te vaak als ironisch (wat het vaak ook is) of als een uiting van jouw superioriteit (wat het in moreel opzicht zeker is). In die zin zorgt hoffelijkheid, zeker als het gepaard gaat met wat moed, ook voor een hogere eigenwaarde bij de zich hoffelijk gedragende persoon.

En toch, of het dan als vanzelfsprekendheid, als kleine moeite of als uiting van moed is, hoffelijkheid maakt altijd een wereld van verschil. Door hoffelijk te zijn, wordt de wereld een betere plek, werken we aan het verhogen van het welbevinden, het welzijn, zowel van wie ons omgeeft, als van onszelf. Zich hoffelijk gedragen is dus zowel werken aan zichzelf als werken aan de verbetering van de mensheid.



Auteur: Dominiek Dendooven
Bron: tijdschrift Rechtstreeks

terug naar het overzicht